Economie voor u!
Overpeinzingen van een macro-econoom

 

2019-05-21

Nederland monetaire ster alleen als het níet monetair autonoom is

Hét argument waarom Nederland volgens voorstandes ervan uit de euro zou moeten stappen, is dat Nederland met de herinvoering van de gulden weer monetair autonoom zou zijn en dus zijn eigen monetair beleid zou kunnen voeren. Onze monetaire historie leert ons echter dat een Nederlands uittreden uit de euro grote en langdurige economische schade zou berokkenen.

Een keuze voor monetaire soevereiniteit, betekent namelijk dat we als land tevens gedwongen worden te kiezen tussen een vaste wisselkoers voor de nieuwe Nederlandse gulden en het vrije verkeer van kapitaal. En dat is een helse keuze.

Elk land heeft te maken met de onmogelijke monetaire drie-eenheid, bestaande uit monetaire soevereiniteit, vaste wisselkoers en vrij verkeer van kapitaal. Elk land kan te allen tijde twee van de drie hebben maar nooit alle drie tegelijkertijd.

Als een centrale bank de rente lager wil zetten dan elders, dan wordt de eigen munt minder aantrekkelijk en daalt in waarde als het kapitaalverkeer vrij is. Interveniëren op de valutamarkt om die waardedaling te voorkomen, kan door eigen munt op te kopen en dus deviezen te verkopen. Vroeg of laat raken de deviezen echter op en verzwakt de eigen munt alsnog. De waarde stabiel houden met een lagere rente dan in het buitenland kan alleen door kapitaalverkeer aan banden te leggen.

Dat betekent concreet dat overschrijven van geld naar en ontvangen uit het buitenland, niet meer zomaar zou mogen. Hetzelfde geldt voor buitenlands geld kopen bij de bank of terugnemen naar Nederland. Voor onze exporteurs en importeurs zou dat hogere kosten van handel en dus hogere prijzen voor de Nederlander betekenen. Hogere inflatie op zijn beurt betekent hogere hypotheekrentes bijvoorbeeld. Nederlandse beleggers kunnen in zo’n omgeving ok veel lastiger en in elk geval duurder, beleggen in het buitenland. Dat kan enorme negatieve gevolgen hebben voor de rendementen van onze pensioenfondsen en verzekeraars, met alle gevolgen van dien voor onze pensioenen.

Ervoor opteren het kapitaalverkeer vrij houden, zou echter impliceren dat de wisselkoers van de gulden zeer ongewis wordt, ook al iets wat onze bedrijven, pensioenfondsen en andere partijen schade kan berokkenen.

Een stabiele waarde van de gulden ten opzichte van de munt van de belangrijkste handelspartner, is voor een zeer open economie als de Nederlandse, een must. Onze monetaire historie leert ons hoe belangrijk de stabiele waarde van de gulden is voor Nederland. Sinds 1814 is de gulden, op enkele uitzonderingen na, altijd gekoppeld geweest aan iets, bijvoorbeeld aan de Duitse mark sinds 1983. 

Met die kennis ervoor kiezen de gulden vast te klinken aan de munt van onze grootste handelspartner, zou van nexit evenwel een bizarre gebeurtenis maken. Wij zouden namelijk onze nieuwe gulden koppelen aan de euro en daarmee het monetaire beleid van de ECB moeten volgen, anders houdt die koppeling geen stand. Wij zouden de facto lid blijven van de Europese muntunie maar niets te zeggen hebben over ons rentebeleid. Het zou nepsoevereiniteit zijn. Onze langetermijnrentes kunnen hoger worden, omdat de markten er rekening mee moeten houden dan Den Haag de gulden ook kan loskoppelen. En het kapitaalverkeer moet dus aan banden

Onze monetaire geschiedenis leert ons daarnaast nog een belangrijke en relevante les in dit opzicht. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog, tussen 1936 en 1940, in het Bretton-Woods stelsel (tussen 1945 en begin jaren zeventig) en sinds het uiteenvallen van dat stelsel in 1971 en vastkoppeling van de gulden aan de Duitse mark in 1983, is Nederland monetair (semi-)autonoom geweest.

Elke keer daalde de waarde van de gulden ten opzichte van de voor ons land belangrijke valuta’s fors en kreeg de Nederlander de rekening gepresenteerd in de vorm van hogere inflatie en hogere rentes dan in de landen om ons heen.

Als we onze monetaire geschiedenis met één voorwerp zouden moeten illustreren, dan zouden dat handboeien zijn. Wij deden het, monetair gezien, in het verleden alleen goed als onze handen geboeid waren. Telkens dat we monetair autonoom waren, liep het slecht af. Tegenwoordig zou monetair autonoom opereren zelfs veel lastiger zijn dan in het verleden. Het is namelijk niet zo dat Nederland door de euro geen monetaire autonomie meer heeft; het is onze afhankelijkheid van het buitenland die daarvoor zorgt. En die afhankelijkheid is door de globalisering tegenwoordig groter dan ooit, zeker op monetair gebied, waardoor zelfs een centrale bank van een groot land, zoals Duitsland, in die nieuwe omgeving zeer lastig een autonoom monetair beleid zou kunnen voeren.

Kiezen voor monetaire soevereiniteit is een goed recht voor elk land, ook Nederland. Maar het is dan wel belangrijk dat de stemmer weet wat de gevolgen van die keuze voor onze welvaart zijn. Onze monetaire historie leert ons dat die gevolgen ernstig en langdurig kunnen zijn.

Admin - 15:30:24 @ algemeen


Tweede brexit-referendum geen minachting voor democratie

Het Britse parlement heeft het brexit-akkoord verworpen. Het enige wat met betrekking tot brexit zeker lijkt te zijn in het Verenigd Koninkrijk is dat de regering en een meerderheid in het parlement, niets zien in een tweede referendum. Dat zou een minachting voor democratie zijn, om mensen nog eens de vraag te stellen of het Verenigd Koninkrijk uit de EU moet stappen of niet. Een zeer vreemde stellingname.

Stel dat de Britse regering of een parlementslid een wet wil laten aannemen. Daarbij is de procedure als volgt. De leden van het Lagerhuis krijgen het wetsvoorstel en om daarover minstens twee weken later te debatteren. Daarna gaat het wetsvoorstel naar het relevante comité van het Lagerhuis.

Daar kunnen comitéleden, experts en belanghebbenden uitnodigen voor een discussie. Daarna behandelt het comité elk artikel uit het voorstel, waarbij het per artikel aangeeft dat aan te nemen, te verwijderen of te wijzigen. De versie die uit dat proces komt rollen, gaat terug naar het Lagerhuis, waar alle parlementsleden er weer over debatteren en waar gewenst wijzigen.

Het wetsvoorstel is dan nog geen wet. Voordat het zo ver is, moet het Hogerhuis zich erover uitspreken. De leden daarvan debatteren er ook over, waarbij ieder lid wijzigingen kan aandragen. Het al dan niet gewijzigde wetsvoorstel gaat vervolgens naar het relevante comité van het Hogerhuis, waar de leden regel voor regel de hele wet doorpluizen en bespreken en eventueel wijzigen. De zo verkregen versie gaat terug naar het voltallige Hogerhuis waar de leden er weer op mogen schieten en nieuwe amendementen aandragen, waarover wordt gestemd. Over het wetsvoorstel met de aangenomen wijzigingen, stemt men dan weer. De leden van het Hogerhuis mogen echter ook in dit stadium nog steeds amendementen indienen.

Als het wetsvoorstel een meerderheid van de stemmen krijgt, is het wetsvoorstel er nóg niet. Dat definitieve voorstel van het Hogerhuis gaat namelijk terug naar het Lagerhuis, dat zich opnieuw erover moet uitspreken, nu de tekst gewijzigd is. Beide huizen moeten exact dezelfde wettekst aannemen. Lukt dat niet na een keer ping-pongen met de wet, dan gaat het voorstel net zo lang heen en weer totdat er een gelijkluidende tekst uit de bus komt rollen.

Pas wanneer zowel het Lagerhuis als het Hogerhuis dezelfde tekst goedgekeurd hebben, komt het wetsvoorstel op het bureau van de Britse Koningin voor ondertekening.

Deze procedure is ooit ontwikkeld om ervoor te zorgen dat er heel goed over nagedacht wordt en alle mogelijke consequenties bekeken worden voordat een voorstel een wet wordt, ook al zou het bij wijze van spreken gaan over een wet die de regels bepaalt over de grootte van de letters op de etiketten op vleesverpakkingen.

Terug naar de brexit. De ochtend na het referendum bleek dat het meest gezochte zoekopdracht in Google op de Britse eilanden de vragen ‘Wat is de EU?’ en ‘Wat is brexit?’ waren. Ofwel: velen hebben nauwelijks nagedacht, laat staan goed, over waar ze ‘ja’ dan wel ‘nee’ tegen zeiden.

Het ziet er sterk naar uit dat de Britten, door alles wat zich sindsdien afgespeeld heeft, nu pas goed geïnformeerd zijn over het onderwerp en dus nu pas écht een antwoord kunnen geven op de vraag of hun land in de EU moet blijven of eruit moet stappen.

Een wet aannemen, hoe onbenullig het onderwerp ook mag zijn, moet door een parlementsmolen heen waar het meermaals gewikt en gewogen wordt, aangepast en dan weer gewikt en gewogen. Maar voor zoiets belangrijks als besluiten of je als land lid wilt blijven van de EU of niet, zou één keer een volksraadpleging genoeg moeten zijn, met de kanttekening dat een zeer groot van de stemmers geen idee had waarover ze stemden?  De uitslag van het referendum was overigens met 52 procent voor en 48 procent tegen, wel erg close voor zo’n majeure beslissing. Dat verschil was zeker te klein om grote woorden als ‘de Britten hebben gekozen’ te gebruiken of om, zoals Theresa May zei op de avond waarop haar akkoord weggestemd werd, te streven naar een brexit omdat ‘een overweldigende meerderheid aangaf een exit te willen’.    

Een tweede referendum is het Verenigd Koninkrijk zou juist géén minachting voor de democratie zijn maar getuigen van grote achting daarvoor. Een tweede referendum zou veel beter aansluiten bij de  reguliere procedure voor elk wetsvoorstel dat het parlement behandelt. Vergeet niet: het gaat niet om de minimale grootte van de letters op de etiketten op voedselproducten maar de keuze of het land lid van de EU moet blijven, een van de belangrijkste besluiten die het Verenigd Koninkrijk zal nemen in een lange tijd. Eén referendum houden waarop mensen in het beste geval ongeïnformeerd en in het slechtste verkeerd geïnformeerd iets aankruisen, heeft weinig met democratie te maken, hoewel het juist heel democratisch lijkt. 


Fed in 2019: een monetaire Dr. Jekyll en Mr. Hyde 

De Fed kan in 2019 in een soort Dr Jekyll en Mr Hyde-instelling veranderen. Ik bedoel daarmee dat de bank in werkelijkheid de rente minder vaak verhoogt dan ze aangeeft te doen maar zich linguïstisch juist stoer opstelt, lees meer renteverhogingen niet uitsluit.

Het eerste, in werkelijkheid minder renteverhogingen, verwacht ik omdat de economische situatie en ontwikkelingen op het inflatiefront erom zullen vragen en het gevaar van financiële instabiliteit een stevige stok achter de deur zal zijn. Vergeet niet dat de bankeconomen onlangs in het allereerste Financial Stability Report hebben gesteld dat financiële stabiliteit in gevaar zou komen als de aandelenkoersen zouden dalen en dat die kunnen dalen als de Fed de rente te vaak verhoogt.

Het tweede verwacht ik omdat de samenstelling van het rente comité per 1 januari 2019 verandert. Dat comité bestaat uit de leden van het bestuur van de Fed in Washington en 12 presidenten van de regionale centrale banken verspreid door het land. Op het moment gaat het om een groep van 17 personen.

Waar ze allemaal mee mogen praten, is daadwerkelijk beslissen wat met de rente te doen het voorrecht van voorbehouden aan een subgroep ervan, op het moment, 10 mensen. Behalve de leden van het Fed-bestuur hebben elk jaar 5 van de 12 presidenten van de regionale centrale banken stemrecht. De baas van het Fed-filiaal in New York mag altijd meestemmen.  Wie andere vier zijn, is geregeld in een roulatieschema. Per 1 januari van elk jaar rouleren ze.

Deze maand nog zijn het de regionale monetaire opperhoofden uit San Francisco, Atlanta, Richmond en Cleveland die het rentebeleid samen met de Fed-voorzitter Jerome Powell en zijn bestuur bepalen. Op 1 januari 2019 gaat dat voorrecht over naar hun collega’s uit Chicago, Boston, St. Louis en Kansas City. Die gewijzigde samenstelling kan gevolgen hebben (die in mijn ogen vooral linguïstisch zullen zijn, vooral in de eerste helft van het jaar, wat wel consequenties kan hebben op de financiële markten).

De markt onderscheidt drie soorten centrale bankiers: de haviken, de duiven en de rest, die ik maar de mussen zal noemen. Haviken zijn diegenen die maar wat graag de rente willen verhogen en die verlagen alleen als het écht niet anders kan en dan ook het liefst zo min mogelijk. Duiven zijn hun collega’s die altijd wel een reden kunnen verzinnen om de rente te kortwieken en zo laag mogelijk te houden. Wie niet tot een van deze twee vogelsoorten behoort, wordt heel saai neutraal genoemd. Een soort mus onder de centrale bankiers zeg maar.

Van de vier regionale presidenten die dit jaar het stemrecht hebben, is er één havik en zijn de andere drie mussen. Van de vier die hun plaats innemen per 1 januari 2019 zijn er echter drie haviken, waarvan één superhavik, en slechts één duif. Anders gezegd: de samenstelling van het rentecomité van de Fed vanaf het begin van 2019 wordt zodanig dat veel leden elk interview of toespraak zullen aangrijpen om te zeggen dat de bank vooral door moet gaan met het normaliseren van het beleid.

Waar de Fed in de hoedanigheid van Dr. Jekyll de rente minder vaak zal verhogen, kan de bank in de hoedanigheid van Mr. Hyde wel eens tegelijkertijd juist stoere taal over verdere normalisering van het monetaire beleid uitslaan. Dat op zijn beurt kan de volatiliteit op de financiële markten in een groot deel van 2019 hoog houden. Uiteindelijk verwacht ik dat, zoals gezegd, de economische werkelijkheid al die vogels zal dwingen dezelfde kant op te vliegen, te weten minder renteverhogingen in 2019, geen verhogingen na de zomer van 2019 en richting het einde van dat jaar de markten voorbereiden op nieuwe renteverlagingen, in 2020.  

2019 kan wel eens het jaar zijn waarin de bank het het moeilijkst zal hebben met het uitstippelen van de monetaire koers. Afgelopen jaren was het een makkie, om het zo te zeggen. Als centrale bankier van welke vogelsoort dan ook wist je dat de rente alleen maar één kant op kon c.q. moest, namelijk omlaag. Maar wat doe je nu? Verhoog de rente en stel meer stappen in het vooruitzicht en je riskeert financiële instabiliteit zo niet een recessie én ruzie met het Witte Huis. Zeg dat je de rente niet meer / vaker zult verhogen en je riskeert een enorme zeepbel, te hoge inflatie op middellange termijn en het beeld onder beleggers dat je het schoothondje van de president bent. Net als Odysseus moet de Fed ook zien te komen langs Scylla (verhoog de rente te stel c.q. te veel) aan de ene en Charybdis (verhoog de rente te weinig c.q. te langzaam) aan de andere kant. Net als Odysseus zal de Fed vrijwel zeker moeten kiezen door één van die twee monsters even gegrepen te worden. Ik vraag me af voor welke van de twee kwaden de bank zal kiezen. Als ik moet kiezen, dan zet ik mijn geld op Charybdis.


Hogere accijns hooguit aanleiding maar geen oorzaak gele hesjes opstand

Opstand der gele hesjes in Frankrijk die zich verspreidt naar andere landen. De aandacht voor het feit, eindelijk, dat de middenklasse in Nederland en daarbuiten het zwaar heeft. Populisme. Afkeer van velen tegen de Europese Unie, euro, open grenzen, immigranten en vreemdelingen. Opkomst van bitcoin. Protectionisme in de wereld. Als dé reden voor veel van die zaken, zo niet alle, wordt doorgaans het financieel-economisch beleid van de westerse overheden sinds 2009 aangevoerd. Dat beleid is echter hooguit de aanleiding maar geen oorzaak. 

Gele hesjes zijn de zoveelste uiting van de groeiende onvrede bij de middenklasse met de globalisering. Die onvrede is zeer terecht. Het is echter niet de globalisering die de middenklasse pijn doet maar het feit dat de overheden een van de drie gevolgen van de globalisering, willens en wetens voorkomen hebben. Het was juist dat niet opgetreden effect dat de middenklasse de gouden bergen die beloofd werden, had kunnen brengen. 

Globalisering had drie gevolgen moeten hebben: lagere loonstijgingen, hogere winsten bij bedrijven en dalende prijzen ofwel deflatie. Lagere loonstijgingen omdat globalisering voor een grotere toename van het aanbod van arbeid zorgde dan de toename van de vraag ernaar. De basiswet van de economie, die van vraag en aanbod, zegt dan dat de prijs, in dit geval van arbeid, eerder zal dalen dan stijgen. Hogere winsten omdat door de lagere loonstijgingen bedrijven hun grootste kostenpost minder hard zagen toenemen dan de opbrengsten. Bovendien drukte de enorme technologische vooruitgang via zijn invloed op de arbeidsproductiviteit de kosten per eenheid product omlaag. Een werkende anno 2018 is minstens 50 procent productiever dan een werkende in de jaren tachtig. Tot slot hadden we structurele deflatie moeten zien sinds de jaren tachtig omdat technologische vooruitgang en de enorme stijging van de productiviteit de kostprijs van zo’n beetje alles omlaag hebben geduwd. In het verleden, in een wereld zonder centrale banken die de prijzen manipuleren, leidde dat altijd tot dalende prijzen, jaar in jaar uit. En stijgende welvaart, jaar in jaar uit. De Nederlandse Gouden Eeuw en de periode tijdens en na de Industriële revolutie zijn twee uitstekende voorbeelden. 

Hadden de drie genoemde zaken zich voorgedaan, dan had de middenklasse geen enkele reden te muiten. Het probleem is dat waar de eerste twee zich wel voordeden, het laatste effect, structurele prijsdalingen, uit is gebleven omdat de centrale banken koste wat kost zorgden voor prijsstijgingen. In 2012 heb ik daar een boek over geschreven, getiteld ‘Geldmoord: hoe de centrale banken ons geld vernietigen’ waarin ik ook de economische en niet-economische gevolgen van die roof met voorbedachten rade bespreek. Het feit dat ongeveer 50 miljoen Amerikanen, dat is bijna 1 op de 6, niet rond kan komen zonder voedselbonnen, is zo’n economisch gevolg. Of, meer recent en dichter bij huis: elke zesde Duitser is arm! Elke zesde inwoner van het rijkste land van Europa is arm. 

Dat heeft met name de middenklasse hard geraakt. Voor de klasse erboven geldt namelijk dat die zeer arbeidsmobiel is. Een chief executive officer pakt gewoon zijn boeltje als hij aan de andere kant van de wereld een mooie baan aangeboden krijgt, net als een hoogleraar die een mooie aanbieding krijgt van een universiteit aan de andere kant van de oceaan, ook in principe zonder enige moeite kan verkassen. De banen van de laag ónder de middenklasse, denk aan schoonmakers, zijn niet uit te besteden aan andere landen. En voor zover die groep nadeel ondervond van globalisering en vrijhandel, is de politiek er doorgaans als de kippen bij geweest om dat nadeel te compenseren omdat we het moreel juist vinden die groep te behoeden voor tegenslagen. Het zijn juist de middenklasse-banen die prima en makkelijk over te hevelen zijn naar verre, goedkopere, oorden. De kosten van onder meer het behoeden van de zwakkere in de samenleving en almaar uitdijende publieke sector, sloeg vooral neer bij diezelfde middenklasse. De groep erboven kan vaak slimme mensen inhuren die ervoor zorgen dat ze minder belasting betalen. De groep eronder krijgt per saldo vaak geld toe van de overheid. De middenklasse was en is de pineut.  

Als je die situatie decennialang niet alleen gedoogt maar als politiek eraan meewerkt, dan moet je niet verbaasd zijn als vroeg of laat de middenklasse zegt: ‘en nu is het genoeg’ en in opstand komt. Aangezien een sterke en stabiele middenklasse garant staat voor politieke, economische en maatschappelijke stabiliteit, is het niet vreemd dat een opstand onder die groep tot instabiliteit op al die gebieden leidt.

Het voornemen om accijns op brandstof te verhogen is geen oorzaak voor de opstand in Frankrijk en erbuiten maar slechts een aanleiding. Die verhoging uitstellen of hier en daar wat toeslagen verhogen, zet geen zoden aan de dijk. Het zijn middelen die de symptomen, tijdelijk, minder pijnlijk maken. Aan de dieperliggende oorzaak wordt ondertussen niets gedaan. Centrale banken hebben nog steeds de opdracht elk jaar ervoor te zorgen dat de prijzen met ongeveer 2 procent stijgen. Dáár, dames en heren politici, moet u iets aan doen in plaats van de middenklasse de rekening te presenteren voor de kosten van het klimaatbeleid voor de armen.

Wie er veel meer over wil lezen: de winkel van ons allemaal heeft ‘Geldmoord’ nog op voorraad.

In de toekomst melding ontvangen dat soortgelijke beschouwingen zijn verschenen? Dat kán en wel via deze weg. 







Een bundel van essays, columns en (historische) beschouwingen over de wereld van de centrale banken

Op verzoek van een opdrachtgever die een macro-economisch seminar organiseert en waar ik de eer heb als keynote speaker op te treden, heb ik een aantal opiniërende artikelen, essays en columns op het gebied van centraal bankieren en aanverwante onderwerpen, gebundeld. Alle aanwezigen krijgen een exemplaar van deze eenmalige, bijzondere, uitgave. Hieronder de intro:

 

Ten geleide: De wél gekozen weg

In zijn beroemde gedicht The Road not Taken beschrijft de Amerikaanse dichter Robert Frost de reis van een reiziger die een weg volgt en na enige tijd bij een splitsing aankomt; de weg verandert in twee wegen. Hij vindt het spijtig dat hij niet beide wegen kan volgen en blijft lang staan, nadenkend welke dan maar te nemen. Uiteindelijk kiest hij voor de minst bewandelde van de twee en dat, zo eindigt het gedicht, maakte het verschil.

20 jaar geleden stond ik op zo’n kruispunt. Als een jonge student economie moest ik kiezen welke richting te nemen in het economische bos. Het geëffende pad was dat van bedrijfseconomie, de minst bewandelde dat van monetaire economie ofwel een reis door het land der centrale banken. Ik koos, in tegenstelling tot de reiziger in het gedicht van Frost, vrij snel en met volle overtuiging om tegen de stroom in te gaan en dus voor dat minst bewandelde pad. In tegenstelling tot Frosts reiziger heb ik 20 jaar later geen greintje twijfel over die keuze die ik toen heb gemaakt. Het was absoluut geen vergissing.

Het was het pad dat vele reizigers die na mij kwamen zouden blijven mijden…tot aan 2008. De ergste financiële en economische crisis sinds de Grote Depressie trof toen ons werelddeel. Vrij snel bleek het lot van onze economieën en financiële markten, en dus onze banen, spaargelden, hypotheekleningen, pensioenen, de waarde van onze huizen et cetera afhankelijk te zijn van de acties van één bijzondere groep instellingen: de centrale banken. De vraag naar wat de centrale banken doen, ja zelfs wat voor instellingen ze zijn, hoe ze denken en waarom ze handelen zoals ze handelen, explodeerde.

Met lezingen, voordrachten, artikelen, beschouwingen, opiniërende stukken, boeken en columns probeer ik sindsdien aan die vraag te voldoen. Vaak lag en ligt de focus daarbij op de Europese Centrale Bank, de overigens óók 20 jaar geleden opgerichte centrale bank in ons hoekje van de wereld.

Een van de kenmerkende zaken als we het over de centrale banken en hun wereld hebben, is dat de buitenwereld die al snel als bijna mystiek ziet. Onwetendheid erover heerst. Jarenlange desinteresse in wat die instellingen doen, zorgde daarvoor.

Een van de gevolgen daarvan was en is nog steeds dat de centrale banken redelijk makkelijk een rookgordijn voor de samenleving kunnen optrekken om het zicht op de werkelijkheid te belemmeren. Door onwetendheid bij de buitenwacht kunnen ze ook wegkomen met aantoonbare feitelijke onjuistheden. Zelfs het Europese Hof van Justitie, dat niet zo lang geleden moest oordelen over of enkele maatregelen van de ECB wel te rijmen zijn met het Verdrag van Maastricht, noteerde in zijn oordeel dat het allemaal wel mag want de ECB zegt dat het mag en de bank zal het wel weten. Dat het bestuderen van monetaire historie in het economisch onderwijs zo goed als volledig ontbreekt, helpt ook niet bepaald. Die historie stelt ons namelijk in staat de beweringen en uitleg van de centrale banken op hun werkelijke waarde te schatten. Ja, zeg maar gerust om die opgetrokken rookgordijn weg te blazen en de werkelijkheid te zien. Die lacune, het niet bestuderen van monetaire historie, heb ik afgelopen jaren met boeken zoals ‘Geldmoord: hoe de centrale banken ons geld vernietigen’ uit 2012 en ‘Boeiend en geboeid: een monetaire geschiedenis van Nederland sinds 1814/1816’ uit 2016 geprobeerd op te vullen. Daarmee en, met grote regelmaat, met columns daarover. Steeds was gezond verstand gebruiken in combinatie met lessen uit monetaire historie met de kennis van hoe de centrale banken denken en werken en dat vervolgens zonder poespas, op een toegankelijke manier opschrijven zodat iedereen de materie kan begrijpen, de basis voor die columns. 

Geen jargon en monetaire abracadabra maar de acties van de centrale banken en gevolgen ervan uitleggen met verwijzingen naar boomschors, stenen geld, IKEA-ballenbak, klompen of een flipperkast. Het zijn allemaal kleuren op een linguïstisch palet om ermee het grotere monetaire beeld te schetsen voor de lezer, de gewone man. Dat leverde vaak zeer warme reacties op, reacties zoals ‘Dat lees je dus niet in de krant’, ‘Raak en vooral begrijpelijk, daar kan ik wat mee tijdens volgende discussie op de tennisbaan’, ‘Economie, niet mijn forte! Maar dankzij jou ga ik dingen steeds beter begrijpen en krijg ik beetje bij beetje meer inzicht’, ‘hier wordt klare wijn geschonken’, ‘zeer leerzaam en mij volslagen onbekend. Dank!’ om maar een paar te noemen. Die reacties spoorden mij aan met die monetaire voorlichtingstour door te blijven gaan. 

20 jaar na mijn keuze, de komst van de euro en de oprichting van de ECB en 10 jaar na het begin van de ergste crisis in bijna 100 jaar, hebben we speciaal voor deze bijeenkomst een klein aantal van de beschouwingen die ik daarover in de afgelopen jaren heb geschreven, besloten samen te bundelen. Het zijn beschouwingen over wat zoal te zien is langs het minst bewandelde pad in de economie. Gaat u mee wandelen?