Monetaire geschiedenis

waardevolle lessen uit het guldentijdperk

 
 

Wist u dat...

  28 september 1816:

de dag waarop de gulden dé Nederlandse munt werd

 

 

De gulden. Als munt bestaat die sinds 1999 en zeker sinds 2002 niet meer in onze contreien maar de gulden circuleerde in de lage landen eeuwenlang. Dat wil echter niet zeggen dat het eeuwenlang ook de officiële Nederlandse munteenheid is geweest. En wist u dat het weinig scheelde of wij hadden niet de gulden maar de Franse franc als nationale munt!

 

 

De gulden is in feite pas de Nederlandse nationale munt geworden precies 200 jaar geleden. Op 28 september 1816 trad namelijk de Muntwet van 1816 in werking. In die wet werd de gulden voor het eerst in een wet als de Nederlandse munteenheid genoemd. De wet bepaalde namelijk dat er voortaan in Nederland twee standaardmunten zouden zijn, het 1-gulden muntstuk (van zilver) en het 10-gulden muntstuk, gemaakt van goud.

 

Hoewel er nog steeds allerlei verschillende munten in omloop bleven en gebruik werden als betaalmiddel, mochten de prijzen vanaf 28 september 1816 alleen maar in guldens en centen luiden en niet meer, zoals daarvoor, in schillingen, stuivers, daalders en de vele provinciale munten luiden. Centen. Dat brengt me bij het tweede opmerkelijke bepaling in de genoemde muntwet uit 1816.

 

Die wet  voerde ook het decimale stelsel in Nederland in. Waar één gulden daarvoor onderverdeeld was in 20 stuivers en één stuiver op zijn beurt bestond uit 8 duiten, bestond één gulden vanaf 28 september 1816 uit 100 cent. Nederland was daarmee het vierde land ter wereld dat het decimale stelsel in zijn monetaire stelsel introduceerde, na Rusland, de Verenigde Staten en Frankrijk.

 

Het was de muntwetgeving van dat laatste land overigens dat als voorbeeld diende voor de Nederlandse monetaire wetgeving. Nederland nam allerlei bepalingen uit de Franse wetten over, zoals het decimale stelsel. Eén bepaling nam ons land echter níet over.

 

Franc vs gulden

 

De keuze voor de gulden als de Nederlandse munteenheid was namelijk logisch nog voor de hand liggend.

 

Toen het Koninkrijk der Nederlanden ontstond in 1814, koos de Koning de gulden dus als de munteenheid van het jonge land. Die keuze kan men echter ook opmerkelijk noemen. De zuidelijke Nederlanden, waar de franc in omloop was, waren veel rijker en er woonden meer mensen. Er was dus ook heel wat voor te zeggen voor de Koning, om de franc te kiezen als de munteenheid van het Koninkrijk. Wellicht dat de associatie met Frankrijk en de Franse overheersing de doorslag gegeven heeft om toch de gulden te kiezen. Het scheelde dus niet veel of de franc was de Nederlandse valuta geworden in plaats van de gulden.

 

De keuze voor de gulden en niet de franc en de nieuwe inrichting van het Nederlandse geldstelsel vinden we, zoals gezegd, in de Muntwet van 1816. De auteur ervan heeft dus een belangrijke rol gespeeld in de moderne monetaire geschiedenis van Nederland en het is daarom wellicht nuttig even bij hem stil te staan, namelijk Jean Henri van Swinden.

 

Geboren op 8 juni 1746 in Den Haag, Van Swinden was zeer breed opgeleid. Hij studeerde onder meer natuurkunde, scheikunde, anatomie en wijsbegeerte om vervolgens te promoveren in de filosofie. Na zijn promotie ging hij als hoogleraar – hij was toen twintig jaar oud – aan de slag in Franeker (in die tijd was het Friese stadje een bekende universiteitsstad). Gedurende zijn wetenschappelijke carrière won hij meerdere prestigieuze buitenlandse prijzen voor zijn kennis. Sinds 1785 gaf hij les in onder meer wiskunde en natuurkunde in Amsterdam, aan het Athenaeum Illustre.

 

In datzelfde jaar begeleidde hij de eerste volkstelling in Amsterdam, de stad waar hij ook de huisnummering invoerde en die hij vertegenwoordigde in de Vergadering der Provisionele Representanten van het Volk van Holland, een bestuursorgaan in de periode na de Franse bezetting van Nederland in 1795. In 1800 en 1801 zat hij in het dagelijks bestuur van de Bataafse Republiek. Na de Nederlandse onafhankelijkheid in 1814 was hij lid van de Vergadering van Notabelen, waar onder meer ook Paul Iwan Hogguer en John Hodshon, de eerste respectievelijk de tweede DNB-President, in zaten. Van Swinden van een van de weinige afgevaardigden die tegen de eerste grondwet van hetKoninkrijk der Nederlanden stemde.

 

Van Winden was een kind van Franse vluchtelingen, waardoor we kunnen zeggen dat het feit dat we de gulden als de Nederlandse munt hadden tot de komst van de euro en niet de franc, te danken is aan een vluchteling.

 

Kapstok

 

Die Muntwet van 1816 is een cruciale wet in monetair opzicht voor de gulden en dus voor Nederland.  Niet alleen omdat die de gulden als de nationale munteenheid noemde maar omdat die wet het beste te zien als het kapstok voor de vele wetten op monetair gebied die in de jaren en zelfs decennia erna zouden volgen en die samen als een grote geldhervorming gezien kunnen worden.

 

In 1816 werd de gulden, slechts één van de munten die in omloop waren, aangemerkt als de officiële Nederlandse valuta. Daarmee kreeg de gulden wel een bijzondere status, maar niet het alleenrecht in Nederland in omloop te zijn. Al die genoemde talloze andere munten bleven namelijk gewoon in circuleren. Omdat Koning Willem I orde in die monetaire chaos wilde scheppen, begon hij aan een omvangrijke operatie die uiteindelijk, maar dan hebben we het over tientallen jaren later, alleen de gulden in omloop zou laten. Het slotstuk van die hervorming was de bepaling dat de gulden uiteindelijk het enig wettig betaalmiddel in Nederland is, maar dat zou pas in 1901 gebeuren! Hoewel de gulden een eeuwenoude munt is en ook eeuwenlang in verschillende delen van Nederland werd gebruikt, was diezelfde gulden minder dan één eeuw lang de échte Nederlandse munteenheid, namelijk tussen 1901 en 1999.

 

De eerste van die vele munten die in omloop waren in Nederland die het veld moesten ruimen door de Muntwet van 1816, was de Franse francs. Op 25 februari 1825 werd een wet aangenomen ‘omtrent het doen ophouden van den wettelijken koers der Fransche Muntspecien in de Zuidelijke Provincien des Rijks’, ofwel een wet die de oude Franse stukken per 1 januari 1826 ongeldig verklaarde. Iedereen die die munten had, moest die stukken inwisselen voor guldens of een van de provinciale munten (die waren toen een wettig betaalmiddel naast de gulden); de Franse munten zouden per januari 1826 niet meer geldig zijn in het Koninkrijk.

 

Per franc kreeg men 47 ¼ cent. In de zuidelijke Nederlanden, die vijf jaar later zich zouden afscheiden en als België door zouden gaan, vond men het trouwens maar niets om de geliefde en vertrouwde franc te zien gaan en de gulden te moeten omarmen. Wat ook niet hielp bij het omarmen van de gulden in het zuiden, is dat het tegenwoordige België hoge belastingen kreeg opgelegd om de torenhoge schuld van de noordelijke Nederlanden te financieren. De gulden was een munt van het Huis van Oranje, de beeltenis van Oranjes prijkte erop, en dat Huis was niet geliefd, mede door de hoge belastingen. Men zou kunnen betogen dat de keuze voor de gulden en het buiten omloop stellen van de Franse franc een rol heeft gespeeld bij de Belgische afscheiding.

 

Overigens, 27 september maar dan 1936 is ook een belangrijke dag in de Nederlandse monetaire geschiedenis, waarover je hier meer kunt lezen in een stuk dat ik voor Historiek.net heb geschreven.