Monetaire geschiedenis

waardevolle lessen uit het guldentijdperk

 
 

Ten geleide

 

 Historia vero testis temporum, lux veritatis, vita memoriae, magistra vitae, nuntia vetustatis

Cicero

‘Als we dat doen, dan zullen er vrij snel geen 
kamelen meer over zijn!’

Antwoord van zijn adviseurs op het idee van de kalief Umar ibn al-Khattab (kalief tussen 634 en 644) om geld te maken van de kamelenhuid


Ting-ting. Het is mei 2012 als in de mailbox van het Geldmuseum in Utrecht een mailtje binnenkomt. De afzender is de Raad voor Cultuur. Het is het besluit van die Raad over een subsidieverzoek van het Geldmuseum. Die subsidie is de laatste strohalm voor het noodlijdend museum in de Utrechtse binnenstad. De inhoud van het bericht zorgt voor een schok. ‘De Raad voor Cultuur adviseert de subsidieaanvraag van Stichting het Geld- en Bankmuseum niet te honoreren’ staat er. Het zal het begin van het einde blijken van het Geldmuseum, dat in mei 2007 de deuren opende nadat de ministeries van Financiën en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) er sinds medio jaren negentig aan gewerkt hebben. Dat einde begon in 2012, toen het ministerie van OCW besloot per 2013 zijn subsidie aan het Geldmuseum fors te verlagen. Toen het Ministerie van Financiën in 2013 vervolgens aankondigde zich per 1 januari 2014 terug te trekken, omdat het na een onderzoek ‘geconcludeerd heeft dat de continuïteit van het Geldmuseum niet meer is gegarandeerd’, was het definitief over en uit. Het Geldmuseum wacht de Nieuwjaarsdag van 2014 niet af en houdt de eer aan zichzelf: op 1 november 2013 sluit het museum zijn deuren. 


Dat is zowel vreemd als verbijsterend. Vreemd omdat het in de met Nederland vergelijkbare landen wél een succes is. Ik heb onder andere de geldmusea van Duitsland, Zweden en de Verenigde Staten mogen bezoeken en die zijn vaak afgeladen met mensen. Enkele schoolklassen tegenkomen in de gebouwen ervan is volkomen normaal; die geldmusea vormen het verlengstuk van de schoolklassen in die landen. Het was in Nederland niet anders. Zelfs de Raad voor Cultuur stelde in 2012 dat het aantal bezoekers van het Geldmuseum steeg! De interesse voor onze monetaire geschiedenis is zelfs zodanig groeiend dat De Nederlandsche Bank (DNB) het bezoekerscentrum uit het DNB-gebouw gehaald heeft en, tegenover het DNB-kantoor, een apart gebouw heeft aangeschaft om daar het bezoekerscentrum te huisvesten omdat het aantal bezoekers per jaar naar verwachting zal stijgen van net iets minder dan 18.000 in 2014 naar 40.000 in de komende jaren. 


Het sluiten van het Geldmuseum is verbijsterend niet alleen gezien het feit dat het  aantal bezoekers stijgend was maar ook gezien de tijd waarin we leven. Het maatschappelijke debat in Nederland gaat onder meer over de toekomst van de euro en van Nederland binnen de euro, over monetaire zaken, ons geld dus. En levendig dat dat debat is! Er zijn talloze onderzoeken, petities en pamfletten die pleiten voor een vertrek uit de muntunie en terugkeer naar de gulden afgewisseld met argumenten waarom dat het laatste is wat Nederland moet willen. Er gaat geen week voorbij, en dat al jarenlang, dat het op de economie- en opiniepagina’s in de Nederlandse kranten niet gaat over de euro. De Nederlandse regering en DNB hebben enkele jaren geleden  plannen ontwikkeld voor het tijdperk na de euro; het draaiboek voor de invoering van de ‘florijn’ – de oude naam voor onze gulden en de reden waarom guldenbedragen vroeger met fl werden aangeduid – was klaar en ligt nog steeds waarschijnlijk ergens in een la en een usb-stick in Den Haag. 


Geld is dus een hot item, om een understatement te gebruiken. In veel talen is moneta het woord voor geld, vandaar dat we het beleid van de centrale banken, de hoeders van ons geld, het monetair beleid noemen. Het maatschappelijk debat gaat dus in feite over het monetaire heden én  toekomst. Wat mij daarbij opvalt is dat er een ernstig tekort bestaat aan kennis over onze monetaire geschiedenis. En dat is een zeer kwalijke en zelfs gevaarlijke zaak. 


Veel politici, economen, analisten en anderen die meedoen aan dat debat, doen allerlei voorstellen over wat er gedaan moet worden om de huidige economische crisis te verslaan en een herhaling ervan in de toekomst te voorkomen. Het gaat dan om wat voor monetair beleid gevoerd moet worden wat er vaak op neerkomt dat de euro almaar zwakker moet worden en dat wat de Europese Centrale Bank (ECB) doet, te weten onbeperkt geld drukken, verheerlijkt wordt. Dat je zulke geluiden in landen als  Italië of Griekenland hoort, gezien hun monetaire tradities en historie, is niet vreemd. Maar in Nederland? Ons land is uitgerekend de plek waar je die geluiden niet zou verwachten. Waarom niet? Omdat wij, op basis van onze rijke monetaire geschiedenis, beter weten. Of beter: beter zouden moeten weten. Dat velen dat níet weten, getuigt van een schrijnend tekort aan kennis van de eigen monetaire geschiedenis, een geschiedenis waarop we overigens trots kunnen zijn. Onze gulden was ooit en voor een behoorlijke periode dé wereldmunt, zeg maar wat de Amerikaanse dollar nu al decennia lang is. 


De sluiting van het Geldmuseum kon zo bezien niet op een slechter moment komen, namelijk op de vooravond van, in monetair opzicht, zeer belangrijke jaren voor Nederland, jaren waarin we meer dan ooit de lessen uit de geschiedenis nodig hebben. Het genoemde gebrek aan kennis van onze monetaire historie, en dus óók van de lering die daaruit is te trekken, is één van de redenen voor mij geweest dit boek te schrijven. Ik wil hiermee het monetaire geheugen der natie opfrissen. Daarnaast is er nog een tweede reden, een symbolische. 


De periode 1814 – 1816 is zeer belangrijk geweest voor Nederland. Door een aantal gebeurtenissen in die jaren kunnen we die korte maar turbulente periode, met recht bestempelen als het begin van de moderne monetaire geschiedenis van Nederland. Niet alleen omdat in 1814 het Koninkrijk der Nederlanden is geboren, waarmee het hoofdstuk van de moderne geschiedenis van Nederland is begonnen, maar ook omdat DNB is opgericht (1814), de Nederlandse Munt werd omgedoopt tot ‘s  Rijks Munt, de eerste voorlopige gulden bankbiljetten het daglicht zagen (1814) en daarna de eerste definitieve bankbiljetten (1815), de Muntwet van 1816 werd aangenomen waarmee de voor ons gebruikelijke decimale onderverdeling van één gulden (of tegenwoordig de euro) in honderd cent vastgelegd werd maar ook het randschrift ‘God zij met ons’ op de munten ingevoerd werd bijvoorbeeld (‘…stukken zullen gemunt worden in den ring, met een rand van ingedrukte letters, bevattende de woorden God zijn met Ons’) en DNB alweer bijna kopje onder was gegaan maar uiteindelijk door een weduwe werd gered (1816). 


De Muntwet uit 1816 is de wet waaraan vele andere, latere wetten op geldgebied opgehangen zijn. Die wetten kunnen we zien als  onderdelen van een proces van ingrijpende monetaire hervorming die ertoe zou leiden dat de gulden uiteindelijk het enige wettelijke betaalmiddel werd in Nederland. Die wet van 28 september 1816, die onlosmakelijk verbonden is met de oprichting van DNB in 1814, en die oprichting zelf, zijn feitelijk het begin van die hervorming.  Vandaar dat de periode 1814-1816 met recht als het begin van de moderne monetaire geschiedenis van Nederland aan te merken is.


Sindsdien hebben we 200 jaar achter de rug, een mooi moment na te gaan hoe het met Nederland in monetair opzicht is gegaan in die periode. Dat jubileum en het tekort aan kennis over onze monetaire geschiedenis zijn de redenen waarom ik dit boek geschreven heb, want geschiedenis is niets minder dan ‘de moeder van de waarheid…getuige van het verleden, voorbeeld en advies voor het heden en een waarschuwing voor de toekomst’ zoals de wereldberoemde Spaanse auteur Miguel de Cervantes eeuwen geleden zei. Volgens de Nederlandse filosoof en denker Baruch Spinoza moet je ‘als je wilt dat het heden anders wordt dan het verleden, het verleden bestuderen’. Waarom? Omdat ‘geschiedenis ons alles leert, zelfs de toekomst’, om met de Franse auteur en politicus Alphonse de Lamartine te spreken. Iets waarop de 26ste Amerikaanse President Theodore Roosevelt overigens instemmend zou knikken aangezien van hem de uitspraak is dat ‘hoe meer je over het verleden weet, des de beter je voorbereid bent op de toekomst’. En dat deze ophemeling van de historie niet iets van na Christus is, blijkt onder meer uit het feit dat ook de beroemde Romeinse filosoof Cicero al in 55 vóór Christus hetzelfde deed. In zijn werk De Oratore omschrijft hij de historie als niets minder dan ‘de leraar van het leven’ ofwel het bestuderen van de historie leert ons wijze lessen voor de toekomst. 


Er wordt weleens gezegd dat economen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld natuurkundigen, geen experimenten kunnen uitvoeren om hun theorieën te toetsen. Dat is waar maar wat ook waar is, is dat de geschiedenis dat voor ze doet. Geschiedenis is voor een econoom en voor economische beleidsmakers wat het laboratorium is voor een natuurkundige, namelijk de plek waar hij zijn theorieën kan toetsen.Om economische en monetaire ontwikkelingen en de vele plannen en  voorstellen over wat te doen in deze crisis maar ook de al genomen maatregelen goed te kunnen inschatten en beoordelen, is het dan ook noodzakelijk de monetaire geschiedenis en de lessen ervan te kennen. Dit boek is mijn bijdrage aan het genoemde maatschappelijke debat in Nederland. 


Ik hoop met deze blik op onze moderne monetaire geschiedenis en met het destilleren van de lessen daaruit bij te dragen aan het vermogen om de economische en monetaire ontwikkelingen en beleid(sadviezen) op hun werkelijke waarde te schatten. Zijn de oplossingen voor de huidige crisis bijvoorbeeld wel de wondermiddelen die ons worden voorgespiegeld als we ze langs de monetair-historische lat leggen? Op deze manier hoop ik meer inzicht te verschaffen in de besluiten en ontwikkelingen die de toekomst van ons land zullen bepalen.


Mijn hoop is dan ook dat meer (hoog)leraren economie, hun studenten en scholieren, mede dankzij dit boek vaker een kijkje zullen nemen in het natuurlijke laboratorium van de economie en meer belangstelling zullen krijgen voor onze monetaire geschiedenis omdat die, om met de Groningse hoogleraren Harry Garretsen en Janka Stoker te spreken, ‘ertoe doet’, namelijk wijze lessen bevat voor het heden en de toekomst. Mijn hoop is ook dat economische en daarmee monetaire geschiedenis verplicht meer aandacht zal krijgen in het curriculum. Het is treurig maar waar dat het in Nederland mogelijk is economie te gaan studeren en een diploma te behalen zonder ook maar een uur aan economische en monetaire historie besteed te hebben.  Als het waar is wat De Lamartine zei, dat ‘geschiedenis ons alles leert , zelfs de toekomst’, dan impliceert dat dat wie de geschiedenis niet leert, in feite weinig leert. 


Mijn hoop is ook dat de medewerkers van de instelling die synoniem is voor de moderne monetaire historie van Nederland, namelijk DNB, dit boek zullen lezen want wat mij opgevallen is, is dat ook binnen DNB te weinig kennis over  de monetaire historie van Nederland, en dus DNB, bestaat. En gezien de rol die het Ministerie van Financiën speelt op het gebied van economisch en monetair beleid in Nederland en de eurozone tegenwoordig, hoop ik ook dat de ambtenaren daar hun kennis van onze moderne monetaire geschiedenis zullen bijspijkeren. 


Ik begin dit boek met een kort overzicht van de historie van de instelling die synoniem is voor onze moderne monetaire historie, namelijk DNB. In de hoofdstukken twee en drie ga ik na wat de afgelopen 200 jaar op monetair gebied voor Nederland hebben betekend. Ik doe dat door te kijken naar de waardeontwikkeling van de Nederlandse gulden. In het tweede hoofdstuk neem ik de waarde ervan binnen Nederland onder de loep; in het derde hoofdstuk staat de waarde ervan búiten Nederland, de wisselkoers, centraal. Hoofdstuk vier behandelt vervolgens het meest recente en een unieke deel van de Nederlandse monetaire geschiedenis, namelijk de periode waarin we geen gulden meer hebben, maar met veel andere Europese landen een munt delen, de euro. Wie zich de beste centrale bankier die Nederland ooit gehad heeft, mag noemen, dat komt aan bod in het vijfde hoofdstuk, dat onze moderne monetaire geschiedenis samenvat. Dit als opmaat naar het laatste hoofdstuk, hoofdstuk zes, waarin de lessen uit de moderne monetaire geschiedenis van Nederland toegepast worden op de economische en monetaire actualiteiten en de maatschappelijke discussie in Nederland hierover.


Maar om uiteindelijk bij het heden en de toekomst te belanden moeten we ver in het verleden aftrappen, daar waar de moderne monetaire geschiedenis van Nederland ruim 200 jaar geleden is begonnen. De laatste Franse soldaat die de polder verliet, liet een geruïneerd land achter. Een land dat troost zocht in de herinneringen aan de Gouden Eeuw. De kersverse Koning Willem I besloot dat Nederland niet met heimwee moest terugdenken aan zijn Gouden Eeuw maar dat er een nieuwe Gouden Eeuw moest komen. Een van de eerste stappen in dat streven was zijn besluit nummer 105.