Monetaire geschiedenis

waardevolle lessen uit het guldentijdperk

 
 

Belangrijke personen


Net zoals in de geschiedenis van een land of een wetenschap, zijn er ook in de Nederlandse monetaire geschiedenis enkele personen aan te wijzen die een belangrijke rol hebben gespeeld in die geschiedenis. Als we het over monetaire geschiedenis hebben, dan denken we al snel aan bijvoorbeeld de Presidenten van De Nederlandsche Bank (DNB). De een meer dan de ander drukten ze hun stempel op onze monetaire geschiedenis. Sommigen hebben zelfs, ondanks hun positie, geen enkele rol van betekenis gespeeld! Daartegenover staat dat er een aantal personen aan te wijzen zijn die juist zeer belangrijk, ja zelfs cruciaal, zijn geweest voor het verloop van onze monetaire historie, personen die vaak niet gewerkt hebben bij DNB laat staat de President ervan zijn geweest! 


Op deze plek zal ik de komende maanden van tijd tot tijd korte bio's plaatsen over die personen die onze monetaire geschiedenis beïnvloed hebben.

_________________________________________________________________

 

Toen Koning Willem I werk begon te maken van de oprichting van De Nederlandsche Bank, won hij daarover advies in van slechts een handjevol mensen. Voor zover bekend werden slechts twee personen die niet deel uitmaakten van de regering om advies gevraagd. Een van hen was Paul Iwan Hogguer.

Hogguer, geboren op 7 februari 1760 in Amsterdam, was een koopman en bankier in die stad. Daarmee zette hij de traditie van zijn familie voort. Zijn overgrootvader was al een bankier. Samen met zijn drie broers stichtte deze in Lyon, waar de familie naartoe was verhuisd vanuit de Zwitserse stad St. Gallen, het handelshuis Hogguer Fréres. Zijn moeder kwam uit het huidige Duitsland.

Hogguer was een invloedrijke Amsterdammer, getuige het feit dat hij wethouder was sinds 1791. In 1813, wanneer de Franse bezetting van Nederland eindigde, zat Hogguer in het voorlopig bestuur van de stad. Begin 1814 werd hij zelfs, samen met drie andere personen, de burgemeester van de hoofdstad. Dat vier mensen de post van burgemeester deelden, was in die tijd gebruikelijk. Een drukke baan was het niet. Hij had dan ook tijd voor andere functies. Zo nam Hogguer bijvoorbeeld zitting in het Hoogheemraadschap van Zeeburg en Diemerdijk. Ook was Hogguer lid van de notabelenvergadering, de vergadering van 474 leden benoemd door de Koning in maart 1814, die de taak had een nieuwe Grondwet te schrijven voor het onafhankelijke Nederland.

Zoals gezegd vroeg Koning Willem I hem kort na zijn benoeming als burgemeester van Amsterdam om advies in het verband met de oprichting van De Nederlandsche Bank. Hogguers advies was blijkbaar zo waardevol dat de Koning hem benoemde tot de eerste President van de nieuwe instelling. Dat gebeurde op dezelfde dag als waarop de Koning de oprichtingsacte van DNB ondertekende. Die acte draagt het nummer 105 van het Souverein Besluit (tegenwoordig Koninklijk Besluit); de benoeming van Hogguer als President van DNB is te vinden in besluit nummer 107.

Veel te doen had Hogguer in zijn hoedanigheid van de President van DNB niet. Zo was de bank bijvoorbeeld in het begin slechts twee dagdelen per week open, op woensdagen en vrijdagen, tussen 12:00 en 15:00. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat Hogguer onbezoldigd werkte als baas van DNB, zeker ook omdat hij zeer vermogend was en de functie van de President van DNB als een eer zag. Het was een soort erebaan om niet te zeggen vrijwilligerswerk, of een gunst aan de Koning. In 1815 benoemde Koning Willem I hem Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Ook werd Hogguer verheven in de adelstand, hij werd jonkheer.

Paul Iwam Hogguer leidde uiteraard de vergaderingen van het bestuur van DNB. In dat bestuur zaten nog vier leden, waaronder Jan Hodshon. Hij zou Hogguer opvolgen als President van DNB. Hogguer overleed namelijk onverwacht op 19 november 1816. Hij werd 56 jaar. In Amsterdam is een straat naar hem vernoemd, de Burgemeester Hogguerstraat.

________________________________________________________________

Nicolaas Gerard Pierson werd geboren op 7 februari 1839 in Amsterdam. Zijn middelbaar onderwijs genoot hij op een Engelse school in Brussel. Na het afronden ervan begon hij in Amsterdam te werken in de katoenhandel. In 1861 startte hij samen met een compagnon een eigen handelsbedrijf. Monetaire zaken hadden zijn belangstelling, wat er onder meer toe leidde dat hij in 1863 – voor DNB een belangrijk jaar omdat toen de Bankwet van 1863 werd aangenomen – het boek De toekomst der Nederlandsche Bank uitgaf. Drie jaar later ontmoette Pierson, op zomervakantie, Willem Mees, de toenmalige President van DNB. Die was onder de indruk van de toen nog maar 27 jaar oude Pierson. Zodra er een plek vrij kwam in het bestuur van DNB, dat gebeurde in 1868, droeg Mees Pierson voor.

De commissarissen van DNB waren niet gecharmeerd van die voordracht. Bij de stemming door directeuren en commissarissen over de benoeming van een nieuwe directeur kreeg Pierson, 29 jaar oud, slechts één stem meer dan zijn tegenkandidaat. Op de aandeelhoudersvergadering later dat jaar kreeg hij wél een ruime meerderheid van de aandeelhouders achter zich.

Nog voordat Pierson tot het bestuur van DNB zou toetreden, begon hij op 25-jarige leeftijd les te geven aan de handelsschool in Amsterdam. Daarvoor moest hij eerst slagen voor het examen middelbaar staathuishoudkunde, wat Pierson met succes deed. Hij kreeg zijn diploma in de zomer van 1864 met de opmerking dat hij meer van de materie wist dan zijn examinatoren. Daarnaast werd hij één van de twee hoofddirecteuren van de in 1865 in Amsterdam opgerichte Surinaamsche Bank. Toen hij in het bestuur van DNB kwam, verliet hij deze bank en trok zich ook terug uit zijn handelsbedrijf. In 1877 werd hij hoogleraar staathuishoudkunde en statistiek aan de Gemeentelijke universiteit van Amsterdam.

Tijdens zijn periode in het bestuur van DNB kreeg Pierson vier keer het aanbod minister te worden, in 1881, twee keer in 1882 en nog een keer in 1884. Zijn mentor Willem Mees ontried hem dat telkens. Pierson wilde hij voor de centrale bank behouden. Toen Mees kwam te overlijden in 1884 was het Pierson die hem opvolgde als President van DNB op 1 februari 1885. Hij was toen net geen 45 jaar oud.

Na zes jaar DNB te hebben geleid zwichtte Pierson voor de roep van Den Haag. Op 21 augustus 1891 trad hij af als President van DNB om minister van Financiën te worden, iets wat hij in 1897 ook voor de tweede keer werd. Die tweede keer was hij echter tevens de minister-president in het kabinet-Pierson dat tot 1901 regeerde. Als minister en minister-president introduceerde hij onder meer de inkomstenbelasting en hypotheekrenteaftrek en stond hij aan de wieg van de geboorte van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Na eerder een eredoctoraat in rechten in Leiden te hebben gekregen, kreeg hij ook een eredoctoraat van de Britse Cambridge universiteit in 1904. Pierson is de enige bankpresident in de historie van DNB die opgestapt is voordat zijn benoemingstermijn zou aflopen.

In 1905 werd Pierson gekozen als afgevaardigde in de Tweede Kamer, waar hij tot eind september 1909 lid van was. In dezelfde periode keerde hij toch terug naar DNB; hij werd er commissaris. Op de site parlement.com van het Parlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden wordt Pierson omschreven als ‘bij velen hoog aangeschreven vanwege zijn milde omgangsvormen, maar politiek gezien wat naïef.’ Op 5 februari 1901 werd hij geridderd in het Grootkruis Orde van de Nederlandse Leeuw. Pierson is overleden in Heemstede, vlak voor de Kerst 1909, op 24 december. Hij is 70 jaar geworden. Stichting Mr. N.G. Pierson reikt eens per drie jaar de Pierson-penning uit aan een zeer verdienstelijke Nederlandse econoom die zich, zoals de Stichting omschrijft, ‘heeft onderscheiden door de kwaliteit en diepgang van zijn publicaties’. Daarnaast reikt de stichting ook de Pierson-medaille uit aan ‘een jonge, veelbelovende onderzoeker op economisch-financieel terrein, die op het punt staat internationaal door te breken’. Piersons afbeelding was te zien op twee ontwerpen voor een nieuw bankbiljet van 20 gulden, gemaakt in 1945. Dat bankbiljet is echter nooit gedrukt, waardoor een van zijn voorgangers, Willem Mees, de enige DNB-President bleef wiens beeltenis prijkt op een Nederlands bankbiljet.

 

_________________________________________________________________

 

Eind december is André Szász overleden. Szász is ruim 20 jaar lid van het bestuur van De Nederlandsche Bank (DNB) geweest. Hieronder mijn in memoriam, dat eerder is verschenen bij Follow The Money met als bonus een interview met Szász die ik afgenomen heb in 2008, voor mijn boek over het tienjarig bestaan van de euro (10 Jaar euro: biografie van een jonge wereldmunt'):

 

Eind december is Andre Szász op 84-jarige leeftijd heengegaan. Ik ervaar het meer dan ooit als een voorrecht hem gekend en regelmatig gesproken te hebben. Andre Szász heeft in totaal 34 jaar bij De Nederlandsche Bank (DNB) gewerkt, waarvan ruim 21 jaar (van 1973 tot zijn pensionering in 1994) als lid van het bestuur.

 

Szász is nooit President van DNB geweest, maar dat is dan ook zo’n beetje het enige verschil tussen hem en veel van diegenen die dat wél waren. Ik zou zelfs zo ver willen gaan om te zeggen dat Szász in monetair opzicht belangrijker is geweest voor Nederland dan minstens de helft van alle DNB-presidenten. Szász heeft een cruciale bijdrage geleverd aan de monetaire en economische en ja, zelfs maatschappelijke stabiliteit in Nederland. Hoe? Met zijn strijd voor een harde gulden.

 

Eind jaren zestig en begin jaren zeventig werd de wereld getroffen door enorme monetaire turbulentie, met als hoogtepunt het uiteenvallen van het stelsel van de vaste wisselkoersen in de zomer van 1971. In die wetteloosheid was Szász achter de schermen de drijvende kracht achter het ultieme plan voor ons land: om van de gulden een sterke, stabiele munt te maken — tegen elke prijs. Met andere woorden: in plaats van alleen naar de korte termijn te kijken, besloot Szász de middellange en lange termijn voorop te stellen. Nederland koos er toen gelukkig voor dat advies op te volgen en de rest is, as they say, geschiedenis: het harde-guldenbeleid was geboren. Die keuze heeft Nederland heel veel stabiliteit, welvaart en monetair aanzien gebracht.

 

Warm hart

 

Szász was dus de man die de gulden een zeer warm hart toedroeg. Hij was tegelijkertijd echter ook een realist die het grotere geheel in kon zien. Vandaar dat hij ook aan de wieg heeft gestaan van de muntunie in Europa — en dus uiteindelijk van de euro, wat tevens het einde van zijn geliefde gulden betekende. Bij mijn weten hebben we geen gesprek gevoerd zonder dat Szász opmerkte dat Nederland door de globalisering steeds minder meetelde en dus in monetair opzicht aansluiting moest zoeken tot een groter geheel. Dat was zijn overweging om destijds te ijveren voor een koppeling van de gulden aan de Duitse mark en, toen later ook Duitsland te klein werd, om te werken aan een muntunie in Europa.

 

Szász voelde overigens sowieso nooit veel voor vrije wisselkoersen. Niet omdat hij iets tegen de markt had, integendeel, maar omdat hij de overheden zelf niet vertrouwde. Die zouden er vroeg of laat voor kiezen hun munt zwakker te maken om op korte termijn profijt te behalen, zo vreesde hij. Op termijn zou dat geen begaanbare weg meer zijn, maar tot die tijd zou er veel schade aangericht worden. Nee, Szász vond het maar niets.

 

Daarmee hebben we overigens meteen de tweede reden te pakken waarom Szász zich inzette voor een monetaire unie in Europa. Hij vreesde namelijk dat andere Europese landen er anders alsnog voor zouden kiezen hun munt te verzwakken. Het gevaar bestond dat landen zoals Duitsland en Nederland het daardoor op den duur niet zouden volhouden een beleid zoals het harde-guldenbeleid te voeren.

 

Szász’ inzet voor een muntunie in Europa betekent overigens niet dat hij die heilig achtte, of dat kritiek erop taboe was. Ook daarmee liet hij zien niet verblind te worden door zijn eigen ideeën — in dit geval de overtuiging dat monetaire samenwerking in Europa een must is. Hij was juist zeer kritisch over de euro, ómdat hij het belang en de noodzaak van zo’n project als geen ander kende. Zo zei hij destijds luid en duidelijk dat Griekenland er niet bij mocht komen; toen het land meer recent in problemen kwam, pleitte Szász ervoor Griekenland uit de euro te zetten. Dit omdat hij vreesde dat het hele project anders vroeg of laat zou mislukken, met als gevolg een terugkeer naar de oude orde: allemaal verschillende munten, zonder coördinatie, en vroeg of laat een competitie voor de zwakste munt. Daarbij zou Nederland de heilige monetaire graal dan wel eens kunnen verliezen.

 

Monetaire reuzen

 

Deze opstelling, zijn uiterst scherpe intellect en analyses, zijn onafhankelijke manier van denken en doen en tegelijkertijd uiterst diplomatieke optreden: dat alles zorgde ervoor dat hij in monetaire kringen overal zeer veel aanzien genoot. Szász was bevriend met de monetaire reuzen van de wereld. Ik ontmoette ooit de legendarische oud-voorzitter van de Fed, Paul Volcker, in zijn kantoor aan de New Yorkse Fifth Avenue. De eerste vraag die de monetaire gigant — letterlijk: Volcker is zo’n twee meter lang — me stelde, was hoe het ging met, jawel, Andre Szász.

 

Na zijn pensionering bleef Szász zich actief bezig houden met monetaire ontwikkelingen, vooral met de Europese monetaire unie. Eerst vanuit een gebouw achter het kantoor van de instelling waar hij zijn hele werkzame leven had gewerkt, DNB, en later vanuit zijn doodgewoon onderkomen, een rijtjeshuis in Amsterdam-Zuid.

 

Laten we Szász en zijn wijze lessen op monetair gebied — zoals dat een sterke munt een goede munt is — niet vergeten. Zijn les is er een die tegenwoordig meer dan ooit uitgedragen moet worden aangezien de hoedster van de euro, de Europese Centrale Bank, er juist alles aan doet de euro zwakker te maken.

 

De monetaire les die Szász voor Nederland zelf achterlaat is dat we het wel stoer kunnen vinden een eigen munt en een eigen monetair beleid te hebben, maar dat de realiteit anders is: namelijk, dat we in monetair opzicht een onderdeel moeten zijn van een groter geheel. Maar pas op: wie dit als een pleidooi ziet om dan maar alles te accepteren wat zich in de eurozone afspeelt, zit er goed naast. Voor alle eurofielen van Nederland: kritiek op de euro mag, nee, moet van Szász. Om de monetaire samenwerking te redden mag niets en niemand heilig zijn; alle opties moeten op tafel liggen.

 

R.I.P.

 

In 2001 kwam de Nederlandse vertaling van het enkele jaren ervoor verschenen Engelstalig boek van Szász over de gemeenschappelijke munt, getiteld 'De euro: politieke achtergronden van de wording van de munt' uit. Het is verplichte kost voor iedereen die meedoet aan de discussie over de euro en zeker voor diegenen die er besluiten over mogen nemen — onze minister van Financiën bijvoorbeeld. Een exemplaar van zijn boek — met een handtekening en wat lieve woorden van Szász, gezet na onze eerste, uiterst plezierige lunch — had altijd al een prominente plek in de boekenkast op mijn werkkamer. Dat zal nooit veranderen: vanwege de inhoud, maar zeker ook om wie de auteur was. Een zeer intelligente, bescheiden, vriendelijke, altijd rustige en op een bijna zangerige toon sprekende centrale bankier, die een zeldzame eigenschap had die veel van zijn ambtgenoten misten en missen: onafhankelijk willen denken en spreken.

 

Ik heb het genoegen gehad Szász vaak te mogen spreken. Hij stuurde dan een mailtje in de trant van: wanneer gaan we lunchen en bijpraten. Er was een klik tussen ons, misschien omdat zijn ouders en mijn grootouders ooit in hetzelfde land woonden (Oostenrijk-Hongarije; zijn ouders waren Hongaars, Szász zelf is geboren in Nederlands Indië), omdat we beide de ontwikkelingen in Europa door zowel een West- als Oost-Europese bril konden bekijken en dat ook deden, omdat ik door eigen levenservaring overtuigd was van het belang van een sterke munt of een combinatie van alle drie, ik weet het niet. Het feit is wel dat ik genoten heb van die gesprekken en dat ik het een voorrecht vind Andre Szász gekend te hebben. Moge hij in vrede rusten, of, in het Hongaars: Nyugodjék békében.

 

Bonus: Interview met André Szász uit 2008

 

Waarom is die euro er? Politici noemden aan de vooravond van de invoering economische redenen, zoals het wegvallen van het wisselkoersrisico. Was dat het?

 

 

“Nee. Het waren politieke overwegingen, geen economische. Het was in wezen een Franse wens en een Duitse concessie. De Fransen wilden het omdat ze invloed wilden hebben op het monetaire beleid. Ze hadden grote problemen met een D-mark-blok, wat Europa in feite was. Na de valutacrises in 1992 en 1993  leek het erop dat die oude Franse wens om een monetaire unie te krijgen hopeloos verdwenen was . Maar het tegenovergestelde was het geval; de Fransen waren door de crises meer dan ooit gemotiveerd om die wens te verwezenlijken."

“Voor de Duitsers was het een concessie, zij waren de enigen in Europa die autonoom waren op monetair gebied. Andere landen wilden de wisselkoers van hun munt ten opzichte van de D-mark stabiel houden. Dat  betekende dat ze zich moesten oriënteren op het Duitse rentebeleid. Dat werd echter gevoerd door de Bundesbank, op grond van Duitse omstandigheden en Duitse beleidsprioriteiten. Die autonomie gaven de Duitsers prijs.”

 

Het leek erop dat de Fransen niet kregen wat ze wilden. Immers, de Europese Centrale Bank werd de meest onafhankelijke centrale bank ter wereld. Hoe is dat nu? Hebben de Fransen iets van wat ze wilden, toch gekregen?

 

“Noch de Fransen noch de Duitsers leken te krijgen wat ze wilden. De Fransen kregen weliswaar een centrale bank in Europa, maar die was autonoom, terwijl ze juist invloed hadden willen hebben op het rentebeleid. Ook op begrotingsterrein moesten ze verplichtingen aangaan over maximale tekorten. De Duitsers wilden een politieke unie. Die hebben ze niet. Geen van beide hebben hun zin gekregen. Ze hebben het toch gedaan, kennelijk in de hoop dat ze ooit wel hun zin krijgen."

 

Wie van de twee is dichterbij zijn doel?

 

“Ik denk de Fransen, want er is iets fundamenteels veranderd: de Duitsers kunnen worden overstemd, voor het eerst. De Fransen hebben winst bereikt.”

 

Moet Europa een politieke unie hebben om de euro op termijn levensvatbaar te maken?

 

“Ik geloof dat een monetaire unie op den duur niet levensvatbaar is zonder een echte economische unie. Dat betekent niet alleen dat je afspraken maakt over evenwichtige overheidsfinanciën, maar dat de naleving ervan zo nodig kan worden afgedwongen. Dat laatste kan niet bij grote landen, zo bleek de afgelopen jaren. Daar zit een probleem. Je kunt de naleving van de afspraken alleen afdwingen als je bereid bent een stuk van je soevereiniteit af te staan. Dat is nu niet het geval. Dat zal volgens mij ook nooit alleen maar omwille van de euro gebeuren. De politieke integratie moet vooral op eigen merites geschieden. Als we verdere stappen zouden krijgen op het gebied van de politieke unie, dan krijgen we die om politieke redenen.”

 

Verwacht u dat Europa die stappen zal zetten?

 

“Dat lijkt nu minder onwaarschijnlijk dan een paar jaar geleden. Een van de redenen is de ontwikkelingen in het buitenland. We hebben gezien dat Rusland steeds assertiever aan het worden is. Dat is volgens mij niet een tijdelijk maar een structureel verschijnsel. We hebben gezien dat dat de Europese belangen rechtstreeks raakt. Als Europa invloed kan hebben, dan kan dat alleen bij gezamenlijk optreden.”

“De energie is ook een factor. De derde factor is de kredietcrisis. We hebben gezien dat Europese landen individueel weinig invloed kunnen uitoefenen. Alleen samen, maar dan niet met
ad-hocbeleid zoals nu, dat afhankelijk is van welk land de voorzitter is van de EU. Er moet een structuur aan worden gegeven, anders kan dat niet.”

 

Dus de muntunie is op den duur niet levensvatbaar zonder een politieke unie. De kans erop is nu groter dan een paar jaar geleden. Komt de politieke unie wel op tijd voor de munt?

 

“Ik heb zo vaak meegemaakt dat dingen waarvan je zegt ‘dit kan op den duur zo niet blijven’ toch aanhouden. Dingen die niet kunnen, zullen ook wel problemen opleveren op den duur, maar het kan wel lang duren voordat het zover is.”

“Bij de euro speelt nog iets anders een rol. Het uiteenspatten van de eurozone zou zo’n traumatische gebeurtenis zijn, dat de Europese landen bijna alles zullen doen om dat te voorkomen. Dat betekent dat het waarschijnlijker is dat we in de eurozone steeds meer wrijvingen zullen krijgen, met verwijten over en weer. Dan wordt de euro een splijtzwam in plaats van een bindmiddel.”

 

Er zijn economen die denken dat het een zwak land zoals Italië zal zijn dat noodgedwongen uit de eurozone zal stappen. Anderen menen juist dat het een sterk land zoals Duitsland of Nederland zal zijn, dat ermee ophoudt. Wat acht u waarschijnlijker?

 

“Een sterk land. Ik denk dat een land als Italië zich niet kan permitteren eruit te stappen. Wel zijn dat de landen die de grootste problemen krijgen. Maar als bijvoorbeeld de Italiaanse concurrentie zodanig verslechterd dat het voor iedereen duidelijk wordt dat er maatregelen moeten worden genomen, dan zal Italië zeggen: we nemen die maatregelen, maar dat kan niet in een klap. We moeten een overbruggingstijd hebben. Het monetaire beleid moet meewerken en het budgettaire beleid kan niet te drastisch worden opgelegd. Kortom, je krijgt een situatie waarin deze fundamentele afspraken voor de levensvatbaarheid van de euro op de lange termijn niet worden nagekomen. Het wordt makkelijk gemaakt omdat bijvoorbeeld Duitsland, , die daar waarschijnlijk tegen zou zijn, zonodig kan worden overstemd. Als dan de inflatie in de eurozone toeneemt, het Duitse publiek onrustig wordt en de Duitse politiek daarop inspeelt, dan zou het een probleem kunnen zijn. Ik voeg er wel meteen aan toe wat oud-president van De Nederlandsche Bank Jelle Zijlstra altijd zei als hij filosofeerde over allerlei economische scenario’s: het loopt toch altijd anders.”

 

In hoeverre is de euro een succes?

 

“Het is te vroeg om te oordelen of de euro een succes is. Ik zie twee wezenlijke problemen die met elkaar samenhangen. Het eerste is de afdwingbaarheid van verplichtingen die op langere termijn cruciaal zijn als je een euro wilt die stabiel is in de zin van prijsstabiliteit.”

“Een ander probleem is dat er nooit echt overtuigend aan het publiek is uitgelegd waarom we de euro hebben ingevoerd. Daarmee is er ook nooit een echt draagvlak gecreëerd. Het publiek begrijpt heus wel dat je niet zoveel overhoop haalt alleen maar omdat het makkelijker is geen geld te hoeven wisselen. Het publiek als groep heeft een instinct waardoor het dat soort onwaarachtige dingen aanvoelt. Als er geen draagvlak is, dan is het ook moeilijk onaangename maatregelen door te voeren wanneer die nodig zijn. Dat zijn naar mijn mening structurele zwakheden. Europese politici hebben altijd gezegd: ach, die aanvaarding komt vanzelf, aanvaarding betekent hetzelfde als gewenning. Maar dat is niet zo.”

 

De Europeanen omarmen de euro niet echt. Hoe komt dat?

 

“Noch de motieven noch de implicaties van de Europese Monetaire Unie zijn goed uitgelegd. Ik heb nooit begrepen hoe men dat op deze manier kon doen. Dat je kunt denken dat je mensen zoiets kunt opleggen zonder je best te doen de mensen in vertrouwen te nemen. Als je dan zegt, het is makkelijk, je hoeft geen geld meer te wisselen, dan voelt men zich beduveld. Als er dan problemen komen of men denkt dat er problemen komen, krijgt de euro de schuld. Ook hebben velen het gevoel dat grote landen zoals Italië en Frankrijk hun verplichtingen niet nakomen. En dan is er nog het feit dat de Europeanen de euro associëren met fors hogere prijzen.”

“Daar komen vervolgens andere dingen bij. Ik heb er alle begrip voor dat de Nederlandse regering zijn best heeft gedaan de last voor Nederland te verkleinen. Dat doet elk land. Maar als je dat doet op een manier waardoor het publiek het gevoel krijgt dat de andere EU-landen eigenlijk op ons geld uit zijn, dan beïnvloedt dat ook de stemming.”

 

De Europese begrotingsafspraken worden almaar niet nagekomen. Is dat probleem op een geloofwaardige manier op te lossen?

 

“De Europese leiders kunnen zeggen: tot nu toe is het niet goed gegaan, vanaf nu gaat alles beter. Dat is geen overtuigende oplossing. Je kunt dat misschien een of twee keer doen, maar niet meer. Het is dan niet meer geloofwaardig. Dan zul je meer fundamentele veranderingen moeten doorvoeren, dus niet een afspraak om de oude afspraken na te komen. Je zult de nationale soevereiniteit moeten inperken om het afdwingen van de afspraken mogelijk te maken.”

 

Kan de euro in de toekomst de rol van de dollar als de belangrijkste wereldmunt overnemen?

 

“Of de euro een wereldmunt kan worden vergelijkbaar met de dollar hangt van twee dingen af. In de eerste plaats die ontwikkeling richting politieke eenwording. De andere is: de dollar heeft in belangrijke mate zijn rol te danken aan de grote Amerikaanse financiële markten waar je zo in en uit kunt, zonder negatieve gevolgen. Ook dat is een voorwaarde voor die rol.”

 

Hoe zou het Europa zijn vergaan in de huidige crisis als er geen euro was geweest?

 

“Ik denk dat we dan in Europa uiteenlopende druk op de munten hadden gehad, met waarschijnlijk een valutacrisis zoals in 1992 en 1993. Een groot voordeel dat we nu de euro hebben is dat er per definitie geen onderlinge valutacrisis kan zijn. Tegelijk is de mogelijkheid van een valutacrisis een disciplinerend mechanisme. Daardoor kan de markt beleidswijzigingen afdwingen. Dat mechanisme is weg. Het is vervangen door verdragsverplichtingen over begrotingstekorten, maar de naleving daarvan blijkt niet te kunnen worden afgedwongen. Het voordeel van de euro in deze crisis is dus dat er geen valutacrisis kan ontstaan in Europa, maar het nadeel is dat het disciplinebevorderende element er niet meer is. Het is vervangen door iets dat niet werkt.”

 

Bent u gewend aan de euro?

 

Lachend: “Dat is een geleidelijk proces, af en toe reken je terug en dan schrik je. Zo’n omschakeling is altijd lastig, maar ik ben een van diegenen die veel met dat proces te maken had. Dat het lastig is geldt nog meer voor diegenen die niet begrijpen waarom de euro er moest komen. En laten we niet vergeten dat de gulden een internationaal serieuze valuta was, die Nederland in die wereld speciaal aanzien gaf. Dat mis ik wel een beetje.”

 

__________________________________________________________________

Een andere belangrijke persoon in de Nederlandse monetaire geschiedenis is iemand die niet alleen nooit DNB-President is geweest; hij heeft zelfs nooit voor DNB gewerkt en het zou me niet verbazen als de persoon in kwestie nooit het kantoor van DNB van binnen heeft gezien. Ik heb het over Jean Henri van Swinden


Jean Henri van Swinden (geboren op 8 juni 1746 in Den Haag, zijn ouders waren vluchtelingen uit Frankrijk) was zeer breed opgeleid. Hij studeerde onder meer natuurkunde, scheikunde, anatomie en wijsbegeerte om vervolgens te promoveren in de filosofie. Na zijn promotie ging hij als hoogleraar – hij was toen twintig jaar oud – aan de slag in Franeker (in die tijd was het Friese stadje een bekende universiteitsstad). Gedurende zijn wetenschappelijke carrière won hij meerdere prestigieuze buitenlandse prijzen voor zijn kennis. Sinds 1785 gaf hij les in onder meer wiskunde en natuurkunde in Amsterdam, aan het Athenaeum Illustre.

 In datzelfde jaar begeleidde hij de eerste volkstelling in Amsterdam, de stad waar hij ook de huisnummering invoerde en die hij vertegenwoordigde in de Vergadering der Provisionele Representanten van het Volk van Holland, een bestuursorgaan in de periode na de Franse bezetting van Nederland in 1795. In 1800 en 1801 zat hij in het dagelijks bestuur van de Bataafse Republiek. 

Na de Nederlandse onafhankelijkheid in 1814 was hij lid van de Vergadering van Notabelen, waar onder meer ook Paul Iwan Hogguer en John Hodshon, de eerste respectievelijk de tweede DNB-President, in zaten. Van Swinden van een van de weinige afgevaardigden die tegen de eerste grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden stemde.